<=
Index
=>
Map 1: pp 9 - 14
Complète les trous au moyen du vocabulaire ci-dessous. N'oublie pas de conjuguer les verbes.
bondé - but - déposer - en - en commun - se faire du souci - faire du covoiturage - lent - d'une part - d'autre part - à pied - à portée de main - prêt - priorité - siège - à temps - vallonné - voler
1. Iemand heeft zijn fiets
[?]
.
2. Hij heeft altijd zijn fiets
[?]
.
3. Ik wil altijd overal
[?]
zijn.
4. Ik rijd het liefst
[?]
auto.
5. Ken je het
van de eerste campagne?
6. Geef
aan de auto die van rechts komt.
7. Ik hou niet van het
vervoer want de bussen zijn vaak
.
8. Ik ben
met auto te geven als ik gratis met de bus mag rijden.
9. De bussen zijn vaak
, met je eigen wagen gaat het vlugger.
10. De ouders willen vaak hun kinderen vlak voor de schoolpoorten
.
11. Nijvel is heel
en het is niet aangenama te fietsen.
12. Ik ga niet graag
[?]
naar school want mijn schooltas is nogal zwaar.
13. Mijn ouders
[?]
als ik de bromfiets gebruik.
14. Zoveel mensen gaan alleen met de wagen naar Brussel. Ze zouden moeten
.
15.
vind ik de auto comfortabel.
is de bus niet praktisch.
Correction
Aide
OK
<=
Index
=>