Map 1: Teksten Geert - Sven
difficile

Complète les trous. Les verbes sont donnés à l'infinitif.

à - à - agréable - casque de cycliste - circulation - de - disposer de - en bonne santé - encourager - entretenir - éviter - guichet - lancer - mouillé - - pierres - piste cyclable - rangement pour vélos - retard - sauf, excepté - surveillant - trajet - trottoir - l'un derrière l'autre

1. Je moet vitaminen eten om te blijven.
2. De Brussel - Nijvel met de trein duurt 25 minuten.
3. Als het regent is fietsen niet .
4. In Vlaanderen zijn er veel meer dan in Wallonië.
5. Hij zijn auto niet goed en die is in een slechte staat.
6. Gooi niet met . Je kan iemand pijn doen.
7. Er liggen soms glasscherven op het pad. Ik moet die .
8. Meneer Buchet is een . 's Morgens zorgt hij de veiligheid aan de schoolpoort Faubourg de Mons.
9. Op het college hebben we geen om de fietsen te parkeren.
10. De school zou een graveeractie moeten om de leerlingen te met de fiets te komen.
11. In het draag ik altijd een want het is gevaarlijk.
12. Op straat moet je rijden om minder plaats te nemen.
13. Ik woon twee kilometer van de school.
14. Vaak komt de trein tijd.
15. De hele klas gaat naar zee, twee llerlingen.
16. Als het regent kom ik op school aan.
17. De voetgangers moeten op de lopen.
18. Ik kwam laat aan want mijn trein had 10 minuten .
19. Voor meer informatie moet u aan het vragen.
20. Ik een bromfiets. zijn auto niet goed en die is in een slechte staat.
6. Gooi niet met . Je kan iemand pijn doen.
7. Er liggen soms glasscherven op het pad. Ik moet die .
8. Meneer Buchet is een . 's Morgens zorgt hij de veiligheid aan de schoolpoort Faubourg de Mons.
9. Op het college hebben we geen om de fietsen te parkeren.
10. De school zou een graveeractie moeten om de leerlingen te met de fiets te komen.
11. In het draag ik altijd een want het is gevaarlijk.
12. Op straat moet je rijden om minder plaats te nemen.
13. Ik woon twee kilometer van de school.
14. Vaak komt de trein tijd.
15. De hele klas gaat naar zee, twee llerlingen.
16. Als het regent kom ik op school aan.
17. De voetgangers moeten op de lopen.
18. Ik kwam laat aan want mijn trein had 10 minuten .
19. Voor meer informatie moet u aan het vragen.
20. Ik een bromfiets.